De wandelaar, de verspringer én een roze konijn

Elk (goed) verhaal begint met… Lang, lang geleden in een land hier ver vandaan. En daarom begin ik dit verhaal anders. Nog niet zo lang gelden waren er twee mannen, een wandelaar en een verspringer. Ze hadden elkaar ontmoet aan de toog een rokerige bar. Ze waren een beetje stil geworden toen de jukebox in de hoek, net te hard en bovendien krakerig, ‘We are the champions’ van Queen uitschreeuwde. Een clubje dertigers stond luidkeels mee te zingen.

Ze hadden elkaar aangekeken. De wandelaar had zonder het te vragen een biertje laten neerzetten bij de verspringer. Dan had hij nog iets vriendelijks gedaan vandaag. De verspringer had ‘m kort aangekeken en z’n glas geheven. De verspringer knikte. Hij knikte terug. Ze namen samen een flinke slok uit het vaasje. Ze hadden beide even een wit snorretje gehad. De verspringer had over zijn schouder gekeken, naar het groepje dertigers bij de jukebox. ‘Champions my ass’ zei hij iets te hard op. Hij had zich al in geen tijden een kampioen gevoeld. De wandelaar reageerde door zijn glas op te heffen en luidkeels ‘Champions my ass’ te roepen, de rest van zijn vaasje achterover te gooien en het glas hard op de bar slaan. Nou nou, moet dat zo hard, had de barman geroepen. En zo startte het gesprek tussen drie mannen, over wandelen, verspringen en kampioenen.

Het clubje dertigers had afgerekend en was vertrokken naar de volgende kroeg. De wandelaar –de filosoof van de drie– vroeg zich af waarom er altijd ééntje is in z’n clubje dat per se een roze konijnenpak aan moest trekken… dat komt nog wel eens een keertje terug in een ander verhaal. Goed, we gaan verder. Een wandelaar, een verspringer en een barman.

De barman was een beetje het vak ingerold. Na wat verschillende banen te hebben geprobeerd, had hij toch maar de zaak van zijn vader overnomen. En toen zijn pa naar het bejaardenhuis verhuisde, was hij in de bovenwoning getrokken. Wel zo gemakkelijk, lekker dichtbij. Alleen maandag’s was hij gesloten, dan ging hij steevast naar de groothandel en ’s middags naar de sauna. Elke week. Er moest wel héél wat gebeuren wilde hij niet naar de sauna gaan. Hij vroeg zich nooit af of hij nog eens wat anders zou willen doen. ’t Was prima zo. Al die mensen met carrières, met haast en zorgen. Nee, dat was niks voor hem. Hij had graag eens naar zijn broer gegaan in America, maar daar was het nooit van gekomen.

De verspringen had een duidelijk doel. 8 meter en 30 centimeter. Liever nog iets verder. Nu had hij een lichte blessure en moest rust houden, hij kwam eigenlijk nooit in een café. Hij was afgekomen op het bord dat buiten stond. Broodje bal uit eigen keuken, stond erop. Na maanden trainen en een streng dieet had hij zich deze traktatie gegund. De grote wedstrijd was over een paar maanden. Hij zou er helemaal klaar voor zijn. Geen gram vet op z’n lijf, afgetraind, scherp en gefocust. Hier had hij naartoe gewerkt, als jongeling al. Dit was zijn droom. Net iets verder dringen dan Ignisious Gaisah. Hij zal zenuwachtig zijn, want de aanloop, maar zeker de afzet is alles. Eenmaal hoog in de lucht zou hij zijn armen en benen naar voren werpen om hopelijk te landen daar waar hij zo lang naar uitgekeken had. Kampioen van Nederland zijn.

De wandelaar had ademloos zitten luisteren naar het verhaal van de verspringer. Hij had zich verbaasd. Al dat werk, al dat trainen voor dat ene moment. Hij zou helemaal niet meer durven springen, bedacht hij. Stel je voor dat je net verkeerd afzet. Heb je al die maanden voor niks getraind. Nee hoor, hij had gewoon een paar goede schoenen gekocht, een klein rugzakje en een paar van die uitschuifbare wandelstokken. Verder niks. Hij ging gewoon op pad. Tuurlijk had hij wel een plan, maar als hij een interessante zijweg tegenkwam, ging hij gewoon daarin. Kijken waar het toe leidt. Zo kwam het wel eens voor dat hij heel ergens anders uitkwam. De wandelaar had daar geen enkel probleem mee, hij had toch zeker mooie nieuwe dingen gezien, wegen ingeslagen waar hij nog nooit geweest was?

Plots rent er een vrijgezel in een roze konijnenpak de kroeg binnen…
Ik ga trouwen! Roept hij.
Vrienden sleuren het konijn weer naar buiten. 
Op naar de volgende kroeg. 

Waarom zeg ik dit soort dingen…

Vanochtend liep ik met de hond en kwam Pieternel tegen met haar oppas-hondjes. Zij past op je dieren en verzorgt de tuin als je een weekje op vakantie bent. Noah -onze mastiff- loopt af en toe een beetje mank. De ene keer rent ie als een dolle, de andere keer loopt hij te hinken en te piepen. Voetjes nagekeken of hij geen doorn of splinter in zijn voet heeft, maar ik kan niets vinden. Toen Pieternel vroeg wat er met zijn poot was –zei heeft ook gezien dat hij af en toe hinkt– zei ik dat het waarschijnlijk tussen z’n oren zit. Later dacht ik daar nog eens over na. Waarom zei ik dat eigenlijk? Ik had immers geen idee wat er aan de hand was.

Wat was mijn motivatie om te doen alsof ik weet wat er aan de hand is? Probeer ik te imponeren? Vind ik het een teken van zwakte, om toe te geven dat je iets niet weet? Waarom doe ik dit? Zij weet veel van dieren. Ik had ook kunnen vragen of zij een idee heeft. Maar dat deed ik niet. Waarom niet? Daar komt bij dat het (energetisch) helemaal niet OK is om, waar Noah bij is, te zeggen dat hij niet helemaal lekker is in zijn hoofd!

Ik weet prima waar dit vandaan komt. En zelfs nu ik dit schrijf spelen er gedachtes op: “moet je dit nu wel zomaar vertellen?” “Dit gaat toch niemand wat aan. Je zet jezelf voor schut.” Etc etc. Mijn Safety Officer is aan het woord.

Wij hebben allemaal een Safety Officer, zoals één van mijn docenten (James Benzing) het noemde. Een stemmetje dat ons behoedt om gedrag te vertonen dat ons eventuele pijn kan doen. Met andere woorden het stemmetje dat ervoor zorgt dat je ‘netjes’ binnen je comfort-zone blijft. Safety Officers ontstaan vaak op jonge leeftijd, wanneer wie iets meemaken dat bedreigend is voor ons, of dat wat ons diep in onze kern raakt. 

Ik ben op jonge leeftijd getuige geweest van een verschrikkelijk ongeluk. Toen ik naar huis rende en mijn moeder vertelde wat er gebeurd was, was haar eerste reactie om te verifiëren of het wel klopte wat ik zij. In plaats van mij even de tijd te geven om bij haar uit te huilen. Vanaf dat moment ben ik mijn ‘verhalen’ groter en spannender gaan maken dan ze eigenlijk waren. Om op die manier wel de aandacht te krijgen die ik nodig had. Het heeft er ook voor gezocht dat ik vindt dat ik alles alleen moet kunnen doen, dat ik het lastig vind om om hulp te vragen en om toe te geven dat ik iets niet weet.

Ook ogenschijnlijk kleine ervaringen kunnen ervoor zorgen dat er Saftey Officers ontstaan; je bent een keer uitgelachen, je werd niet geloofd, je bent gepest, je hebt je een keer verschrikkelijk alleen of in de steek gelaten gevoeld, je bent gestraft voor iets dat je niet gedaan hebt, etc etc. Ervaringen die nu voor zorgen dat je doet wat je doet.  

Daarom vind ik het belangrijk om naar je Safety Officers te kijken, om er achter te komen waarom je voelt wat je voelt en het gedrag vertoont dat je nu vertoont. Want als je wilt groeien en/of veranderen is het van groot belang om dat te achterhalen. Iets dat je niet kan waarnemen kan je niet veranderen.  

Help ik zit vast…

Misschien herken je dit wel. Je hebt een fijne relatie, een stel toffe vrienden, en een baan. En toch knaagt er iets aan je. Je wilt iets anders, maar je kan er niet precies je vinger op leggen. Dit gevoel heb je al een tijdje, het komt en het gaat. En je mag van jezelf niet ‘klagen’, want je hebt toch alles…

Of je had alles voor elkaar en dan gebeurt er iets dat je leventje behoorlijk op zijn kop zet. Je bent bijvoorbeeld je baan verloren. Of je relatie is over.

Dan kan het je zomaar gebeuren dat je wat vast komt te zitten. Je wilt wel, maar je weet niet hoe. Er zijn misschien wel ‘stemmetjes’ die tegen je zeggen: “er zit niemand op jouw te wachten” of “dat kan je toch niet”. Dat je er heel goed in wordt om andere zaken voorrang te geven. Dat je je een beetje ‘numb’ en teneergeslagen voelt.

Het voorgaande zijn vaak symptomen dat je niet meer volledig achter het roer staat van jouw ship. Stroming, getijden en de wind hebben vrij spel. Je kost je ongemerkt veel energie om jouw ship enigszins op koers houden. Een hele nieuwe richting in slaan is even niet aan de orde.

Hoe mooi zou het zijn om even in heel kalm helder water te zijn. Waar je rust kan vinden om een nieuwe koers uit te zetten. Waar je het rommelig geworden ruim van je schip op orde kunt brengen en onnodige balast overboord kunt kieperen. En dat er een loods aan boord is die de wateren kent als zijn broekzak. Met wie je kan overleggen, voordat je weer alle zeilen hijst en vol goed zin naar een nieuw avontuur vaart.

Doosjes

Een tijdje terug zat ik in mijn kleine blauwe doosje op een zwarte baan speciaal voor doosjes. Ik stond stil, tussen heel veel andere doosjes. Er zat geen beweging in.

Vreemd eigenlijk dat mijn leven vol zit met dozen. Dozen waar we in wonen, dozen waar we dan weer dozen in zetten rondom zo’n grote platte HD-doos, zo groot en zo plat mogelijk, want dat is belangrijk. Daarop zien we dat grote dozen beter zijn dan kleine! En dat je gelukkig wordt van het kopen van nieuwe doosjes.

Daarom ging ik in mijn doosjes, naar een doos om daar geld te verdienen om onze dozen te kunnen betalen. En omdat ik te lang naar die grote platte HD-doos keek ging ik naar een andere doos om aan mijn lijf te werken. Want op die grote platte HD-doos zag ik dat je dan succesvol wordt. En als ik succesvol ben kan ik een grotere doos kopen, waarmee je dan tussen andere doosjes stil kan staan op een special zwarte baan voor doosjes.

Ik heb het afgelopen jaar afscheid genomen van heel veel van mijn doosjes. Ik heb mijn super-doos in Rotterdam verkocht. Ik heb op de bodem gekeken van de dozen die ik bewust of onbewust helemaal achteraan had gezet. En gekeken in de dozen waarvan ik niet eens wist dat ik ze (nog) had. Ik heb weloverwogen de keuze gemaakt een paar doosjes te bewaren. Alleen die, die mij gaan ondersteunen in het opbouwen van een nieuw leven, op een nieuwe plek, met veel minder doosjes. Nu heb ik weer ruimte…  Ik nodig je uit om eens goed naar je dozen te kijken, afscheid te nemen van de dozen die jouw niet ondersteunen. Of hele belangrijke doosjes die een beetje leeg zijn geraakt, weer te vullen. Ik weet zeker dat het zal je verbazen wat voor een moois je tegen zal komen.

De vissers

Er was eens een ontmoeting tussen twee stammen. Omdat het met de ene stam goed ging, maar met andere niet.

Beide stammen woonden in het centrum van een eiland, groot genoeg om ze vele decennia in alles te voorzien. Twee grote riffen, één in het westen en één en het oosten – met warm ondiep water – voorzag hen van vis. In het noorden lagen hoge bergen die het eiland beschutten tegen stormen. De machtige bergen waren de geboorteplaats van vele stromen en watervallen, die uitmonden in een centraal meer. In het zuiden, een groot bos, met veel fruit, noten en de medicinale planten die de ouderen zouden gebruiken als iemand ziek werd. De ene stam -met wie het goed ging- woonde aan de westkant van het meer, de andere stam aan de oostkant.

Eeuwenlang werden vergaderingen, ceremonies en festiviteiten gehouden in de buurt van een grote grot aan de noordoever van het meer. Dicht bij de machtige waterval. Iedereen van de westelijke stam was aanwezig, alle mannen, alle vrouwen, alle kinderen en alle oudsten. Van de oostelijke stam (die met de problemen) waren alleen de jonge leiders aanwezig.

Toen iedereen ging zitten en het stil was geworden, stond een van de jonge leiders uit het oosten op en begon te spreken. Hij gaf de schuld aan de weststam – die aan het speervissen was aan de westkant van het eiland – om te veel vis te vangen. Dat moest de reden zijn dat de vissers van zijn stam, die in het oosten visten, niet genoeg vis konden vangen. Daarom had zijn stam honger, de kinderen huilden, de mannen brachten de hele dag door met vissen, van ’s ochtends vroeg tot het donker, en daarom hadden ze geen tijd om voor de dieren en de gewassen te zorgen en daarom ging het niet goed met zijn stam.

Toen hij stopte met praten, ging hij zitten. En het was lang stil. Ongemakkelijk lang. Ze keken elkaar aan maar niemand durfde te spreken. Een kind stond op en haalde diep adem om te beginnen met praten. Maar net voordat het iets kon zeggen, trok een van de volwassenen het terug in de cirkel en zei het kind stil moest zijn.

Een van de leiders van de westerse stam stond op. Hij nam de tijd om jonge leiders van de andere ooststam goed te bekijken. Hij zag dat ze niet zo goed gevoed waren als de leden van zijn stam. Dat hun zwarte haar dof en broos was en hun ogen vol frustratie en woede. Even gaf hij zichzelf de schuld dat hij het niet opgemerkt had. Om niet uit te reiken. Toen voelde hij de druk om met een oplossing te komen. Slim als hij was vroeg hij om een paar minuten, zodat hij met de andere leiders van zijn stam kon overleggen. Dus deden ze dat.

De twee stammen gingen uiteen en vormden afzonderlijke cirkels. In de cirkel van de west-stam werden allerlei oplossingen voorgesteld. En zo opstand er een lange discussie. Wat was de beste oplossing? Het kind dat eerder wilde spreken, stond weer op en wilde iets zeggen, maar werd opnieuw tot zwijgen gebracht. Na enige tijd geloofden ze een antwoord te hebben, waar alle leiders van de succesvolle west-stam blij mee waren. ‘Laten we ze wat van onze vis geven’.

Een jonge moeder die rustig had geluisterd stond op. ‘Is het waar dat we alleen van de zee nemen wat we nodig hebben?’ Vroeg ze. Iedereen knikte. ‘Dus als we ze wat van onze vis geven,’ zei ze, ‘zullen we meer moeten vangen. De mannen zullen meer tijd besteden aan vissen. Dan hebben ze minder tijd om voor de gewassen en dieren te zorgen. Uiteindelijk zullen we dezelfde problemen hebben als de stam in het oosten. ’Iedereen knikte weer. Ze vervolgde: ‘Waarom ruilen we niet? Wij gaan vissen op hun rif en zij gaan vissen op het onze.’

Beide stammen kwamen weer bijeen in een grote cirkel. Toen iedereen zat het stilgehouden was, stond een leider van de west-stam op. Hij bood de oost-stam aan visgronden te ruilen. De jonge leiders van de oost-stam waren erg blij met dit aanbod. En zo gebeurde het.

Na een week wilden de jonge leiders van de oost-stam een ​​nieuwe ontmoeting. Ze waren woedend. Een nieuwe bijeenkomst werd gehouden bij de grote grot bij het meer. En opnieuw was de hele west-stam daar, alle mannen, alle vrouwen, alle kinderen en alle oudsten. Deze keer brachten de jonge leiders van de oost-stam hun bogen en speren mee. Zelfs voordat iedereen was gaan zitten begon één van de jonge leiders: “We vissen nu op jullie rif”, schreeuwde hij, “maar de vangst is nog minder dan voorheen! En mensen vertellen me dat jullie nog meer vis vangen op ons rif.”

Toen sprong het kind in de cirkel, en voordat iemand het terug op zijn plaats kon zetten, begon het … “Mijn grootvader leerde mij vissen” zei het. “Hij heeft het geleerd van zijn grootvader, een grote visser”. Een paar volwassenen sprongen op en wilden het kind pakken en op zijn plaats zetten. Maar voordat ze konden, hield één van de oudsten hen tegen. “Laat het kind spreken”, zei ze. “Dit kind is pas 11 jaar, maar het kan genoeg vis vangen voor haar familie en heeft daarnaast nog genoeg tijd om te spelen”.

Het kind ging verder: “Op een dag was ik op de berg. Bijna bovenaan. Van daaruit kon ik onze dorpen, het meer, het woud en beide riffen zien. Het rif in het oosten én in het westen. Op het ene rif zag ik een visser met zijn speer. Hij stond onbeweeglijk in het water en wachtte geduldig, bijna als een standbeeld. In een oogwenk gooide de vissers zijn speer in het water en vingen een grote vis. Op het andere rif zag ik ook een visser. Met zijn speer omhoog gehouden rende hij kris kras door het water, om dan weer plotseling te stoppen. Rende opnieuw en gooide zijn speer. Hij ving die dag geen vis. Het kind zweeg een paar seconden en keek rond in de grote cirkel. Toen vroeg het: “Wat is belangrijker? Waar vis je of hoe vis je?”